Lieke Wevers

Natuurlijk kent de turnsport geen grenzen. Keer op keer verleggen we ze. Epke met zijn aaneenschakeling van vluchtelementen of Sanne die wegloopt met een gouden medaille uit Rio: we zijn altijd op zoek naar meer. Maar dat is niet wat ik bedoel. De turnsport kent namelijk letterlijk geen grenzen.

Tijdens mijn reis naar Australië, Nieuw-Zeeland, Japan en Taiwan ontdekte ik dat hoe groot de verschillen ook zijn, we allemaal ‘dezelfde taal spreken’. Die van de turnsport.

Tijdens die trip heb ik de gelegenheid gehad om in elk van de landen in contact te komen met jonge turnsters en ontdekte ik dat sport verbindt. Sport neemt barrières weg. Of die nu zitten in cultuur, taal of herkomst, eenmaal in de hal zijn we turnsters.

Bevoorrecht 
Dan weten we allemaal wat we ervoor moeten doen en voor moeten laten om het beste uit onszelf te halen. En dan maakt het dus ook niet uit op welk niveau je de sport beoefent. Op zulke momenten realiseer ik me ook hoe bevoorrecht ik ben als ik een lach op een gezicht kan toveren tijdens clinics en iets kan teruggeven aan de sport waar ik zoveel aan te danken heb.

Als je erover nadenkt zijn we eigenlijk een wereldwijde familie. Zo voelt het voor mij tenminste. En hoe bizar is het? Als je Australië, Nieuw-Zeeland, Japan en Taiwan op een rij zet, dan voelde Melbourne als Europa. Nieuw-Zeeland was net Nederland, klein en bescheiden. Japan staat echt los van alles wat ik ooit heb gezien.

Kalm, georganiseerd en vooruitstrevende techniek. En Taiwan, geloof het of niet, voelde als een tropisch eiland. Als Brazilië. Plezierig. Maar overal waar ik kwam zag ik dezelfde reacties en nergens was taal een drempel als ik werkte met jonge sporters.

Ik kan mezelf verliezen in de voorbereiding op grote wedstrijden. Dan is mijn wereld heel klein, stel ik grenzen en is alles tot in de kleinste details gericht op mijn volgende prestatie. Het is zo mooi om te weten dat zelfs dan onze sport groter is dan alle grenzen die er zijn, of die we onszelf opleggen.

Tekst: Ronald Buijs